Blaaskanker ontstaat meestal in de cellen van het slijmvlies, dat de binnenzijde van de blaas bekleedt. Blaaskanker ontstaat meestal bij oudere mensen, hoewel het ook op jongere leeftijd kan voorkomen. 

Visualisatie van een tumor in het slijmvlies van de blaas bij blaaskanker.

Wanneer blaaskanker oppervlakkig is en niet ingroeit in de spier van de blaas, spreekt men meestal van “blaaspoliepen”. Wanneer het blaasgezwel evenwel agressiever wordt en ingroeit in de spier van de blaas of dieper, spreekt men van “blaaskanker”.

Het overgrote deel van de blaasgezwellen wordt vastgesteld in een vroegtijdig stadium, wanneer deze perfect behandelbaar zijn.
Evenwel dient voorzichtigheid geboden: zelfs oppervlakkige blaastumoren (blaaspoliepen) hebben neiging om terug te groeien.

Patiënten met oppervlakkige blaastumoren dienen dan ook op langere termijn, dit gedurende verschillende jaren, regelmatige controles te ondergaan teneinde mogelijke recidieven op te sporen. 

Risicofactoren

Een aantal uitwendige factoren kunnen het risico op blaaskanker verhogen:

  1. Roken
    Het roken van sigaretten, sigaren of pijptabak kan het risico op blaaskanker verhogen door opstapeling van prikkelende chemicaliën in de urine.
    Wanneer u rookt, zal uw lichaam de scheikundige stoffen, die vrijkomen bij het roken omvormen en afscheiden via de urine.
    Deze schadelijke stoffen kunnen de binnenzijde van de blaas en van de urineleiders aantasten met blaaskanker tot gevolg.
  2. Toenemende leeftijd
    Het risico op blaaskanker neemt toe naarmate u ouder wordt.
    Theoretisch kan blaaskanker voorkomen op gelijk welke leeftijd, doch het wordt zeldzaam vastgesteld bij mensen jonger dan 40 jaar.
  3. Ras
    Het caucasisch ras (blanke patiënten) hebben een hoger risico op blaaskanker dan andere rassen.
  4. Geslacht
    Mannen hebben meer kans tot de ontwikkeling van blaaskanker dan vrouwen.
  5. Expositie aan scheikundige producten
    De nieren spelen een hoofdrol in het filteren van schadelijke chemicaliën vanuit de bloedstroom. Deze worden dan vervoerd via de urineleiders naar de blaas.
    Hierdoor kunnen bepaalde chemicaliën de blaaswand irriteren en het risico op kwaadaardigheid verhogen.
    Een aantal chemicaliën wordt bijzonder gekoppeld aan de ontwikkeling van blaaskanker, zoals arsenicum en scheikundige producten aanwezig bij de productie van verven, rubber, leder, textielen en kleurstoffen.
  6. Vroegere kankerbehandelingen
    Patiënten die in het verleden radiotherapie gekregen hebben ter hoogte van het bekken, bv. bij darm- of prostaatkanker, vertonen een hoger risico op ontwikkeling van blaaskanker.
    Eveneens kunnen kankerpatiënten, behandeld met cyclofosfamide, een verhoogd risico vertonen tot de ontwikkeling van blaasgezwellen.
  7. Chronische blaasontsteking
    Zich herhalende chronische infecties van de blaas (cystitis), zoals bij langdurige aanwezigheid van een blaassonde, kunnen het risico verhogen op squameus celcarcinoma.
    In sommige delen van de wereld wordt het squameus celcarcinoma frequent vastgesteld door aanwezigheid van parasietinfecties van de blaas, gekend als Schistosomiasis.
  8. Persoonlijk en familiale geschiedenis van kanker
    Indien in het verleden bij u blaaspoliepen (oppervlakkige blaaskanker) werden vastgesteld, vertoont u een verhoogd risico op recidief. Deze recidieven kunnen steeds agressiever zijn en dieper ingroeien dan het oorspronkelijke letsel.
    Indien één of meerdere verwanten een geschiedenis hebben van blaaskanker, kunt u eveneens een verhoogd risico vertonen op deze aandoening, hoewel het uitzonderlijk is dat blaaskanker familiaal voorkomt.
    Een familiale voorgeschiedenis van het syndroom van Lynch (erfelijke niet-polypeuze colorectale kanker) kan uw risico op kanker in de urinewegen verhogen, evenals uw risico voor darm-, baarmoeder-, eierstokkanker.

Onderzoeken

Het stellen van de diagnose van blaaskanker
Verschillende onderzoeken worden gebruikt om de diagnose van blaaspoliepen te stellen.

  • Cystoscopie
    Tijdens een cystoscopie brengt de specialisturoloog een dunne glasvezel (cystoscoop) binnen in de blaas langsheen het plaskanaal. Dit gebeurt na voorafgaande verdoving van de plasbuis. De cystoscoop heeft een lens en een glasvezeloptiek waardoor uw arts de binnenzijde van de blaas en het plaskanaal kan inspecteren.

Cystoscopie

Inwendig onderzoek van de plasbuis, de prostaat en de blaas

  • Urinecytologie
    Een staaltje van de urine wordt afgenomen en opgestuurd naar het labo voor pathologische ontleedkunde teneinde de agressiviteit van de blaascellen na te gaan.
  • Medische beeldvorming
    Teneinde de gezondheid van de hogere urinewegen, nieren en urineleiders na te kijken en teneinde eventuele doorgroei doorheen de blaaswand uit te sluiten of te bevestigen, zullen aanvullend onderzoeken gebeuren door middel van CT-scan of NMR-scan. Deze onderzoeken laten toe de ernst van de blaaspoliep of van het blaasgezwel vast te stellen en het stadium van ingroei te bepalen.
  • Biopsie van de blaas – transurethrale resectie
    Teneinde het type blaaskanker te bepalen, zal vanzelfsprekend een microscopisch onderzoek van het blaasgezwel noodzakelijk zijn. Hiervoor wordt, onder algehele verdoving, en door middel van een kijkinstrument, langsheen het urinekanaal, een resectie (verwijdering) van het blaasgezwel uitgevoerd. Dit gebeurt onder volledige verdoving en tijdens een korte opname. Tijdens deze transurethrale resectie (TUR-blaas) wordt het letsel zo grondig mogelijk verwijderd en wordt de spierlaag in de diepte verwijderd teneinde ingroei van het letsel op te sporen. Het verwijderde weefsel wordt opgestuurd naar het labo voor pathologische ontleedkunde waarna na enkele dagen uitslag wordt ontvangen. Dit wordt dan verder met u besproken.

Stadia van blaaskanker

Volgende stadia van blaaskanker worden internationaal erkend:

  • Stadium A
    In dit stadium is het blaasgezwel beperkt tot het slijmvlies van de blaas en is er geen enkel teken van ingroei of doorgroei in de blaaswand. Men spreekt hier van een goedaardige blaaspoliep.
  • Stadium 1
    In dit stadium wordt de blaaspoliep iets agressiever en is er ingroei doorheen het slijmvlies van de blaas, maar is er evenwel nog geen ingroei in de blaasspier.
    In dit stadium spreekt men van een invasieve blaaspoliep. Nabehandeling is vrijwel steeds noodzakelijk.
  • Stadium 2
    Het blaasgezwel groeit door in de blaasspier maar is nog steeds beperkt tot de blaas. Hier kan men spreken van blaaskanker, evenwel nog steeds in een geneesbaar stadium, dit mits adequate therapie.
  • Stadium 3
    De kankercellen groeien doorheen de blaaswand tot in het omgevende vetweefsel.
    Kankercellen kunnen bij mannen eveneens ingroeien in de prostaat en bij vrouwen tot in de baarmoeder of de vagina.
  • Stadium 4
    Behalve invasieve ingroei in de blaaswand zullen in dit stadium de kankercellen uitspreiden naar de lymfeklieren of naar andere organen zoals de longen, de beenderen en de lever. In dit stadium spreekt men van uitgezaaide of gemetastaseerde blaaskanker.